Intelligenza (artificiale)

44  Download (0)

Full text

(1)

DE M A A S G O U W

Orgaan voor LimburgsGhe Geschiedenis, Taal- en Letterkunde,

M A A N D B L A D

v a n het

Provinciaal Geschied- en Oudheidkundig Genootschap in Limburg.

Z E V E N E N D E R T I G S T E D E E L .

4 2

e

JAARGANG - 1922.

MAASTRICHT.

B O O S T E N & S T O L S , Boekdrukkers.

1922.

(2)
(3)

1

JANUAHI 1923- 1.

42" J a a r g a n g .

Prijs per Jaargang:

Voor de leden gratis.

Voor niet-leden :

Voor Nederland 4.— gld.

Voor 't buitenland 5.— gld.

~z

: rr

. ^ .

i i- K Q

R E D A C T . E :

de heeren r.

ALBERS Ö.J., iongerscnw>i.. M,

ry

P ^ O P P ' L E R * '

hoofdcommies a/h. Rijksarchief in Limburg en

D ' W . GOOSSENS,

archivaris-bibliothecaris der gemeente

Maastricht.

De nadruk van artikels, buiten toestemming der schrij- vers, is verboden.

Advertentiën: 10 cent per regel.

Uitgevers : BOOSTEN & STOLS,

St Amorsplein 16, Maastricht.

OFFICIEELE M E D E D E E L I N G E N .

Tot lid zijn aangenomen:

Antoon

J .

earwji»,

< n u i . ^ w „ n l W o

J. W. Goessens, leeraar a/h. bisschoppelijk college.

Roermond. . , , J . 'H. H . van Groenendael, architect, Maastricht.

H . Kallen, rector, Reymerstock.

B I J D R A G E N .

De Souvereine vorst en de Limburgsche Generaliteitslanden.

Door den heer J. J. de Wit, oud-rechter in de arron- dissementsrechtbank te, Maastricht u j i n n J^n den vorigen jaargang van dit tijdschrift een^opstel ge- plaatst met den titel: „Heeft <fegrondwet Veree mgde Nederlanden van

101* ^ ^ - - - - - v r a ao -

te den"-' De geachte schrijver beantwoordt die vraag te- recht ontkennend; echter veroorloof.ik

op enkele punten aan te vullen, waarbij het er mij voor- namelijk om te doen is om het ^ f ™ ^ * * vereinen vorst in het tegenwoordige Limbuig m een

juister licht te plaatsen.

De heer De Wit schrijdt: „Dat echter diezelfde Grondwetgever in 1814 onder Braband mede kan hebben bedoeld de landen van Over-Maas en het vroe- ger Staats-Opper-Gelderland betwijfel ik ten zeerste.

De provincie Noord-Braband is eene schepping der Grondwet van 1815. Bedoelde men daarom in 1814 het grondgebied, dat later provincie Noord-Braband is geworden, dan moest men dat grondgebied om- schrijven en dat dcet dan ook de Grondwet van 1814 door'het te kenmerken als het complex der Generali- teitslanden, vroeger als Staats-Braband bekend Een blik in de grondwet van 1814 is voldoende om te zien, dat deze redeneering niet juist is. De laatste alinea nl van art. 54 luidt : „Braband bestaat provisioneel uit alle de landen en steden, voormaals bekend onder den naam van Generaliteits Landen, en uit zoodanige anderen, als in lateren tijd verkregen en daarbij ge- voegd zijn " De provincie Brabant omvatte dus alle voormalige Generaliteitslanden: Staats-Vlaanderen, de landen van Overmaze en Staats-Opper-Gelder even zoo goed als Staats-Brabant. 1) Inderdaad staat het vast dat Staats-Vlaanderen deel van de provincie Brabant heeft uitgemaakt. Eerst bij Souverem be- sluit van 20 Juli 1814 (Stbl. n° 83) werd het van Bra- bant gescheiden en met Zeeland vereemgd.

In spijt echter van de woorden van de grondwet van 1814 zijn de vroegere Generaliteitslanden m de tegenwoordige provincie Limburg niet onder het be heer van den Souvereinen vorst ^ o m e n , hoewel deze er moeite toe heeft aangewend, gelijk de heer De Wit

gevoegd zijn", worden zonder twijfel de^ landen D

• I Bokhoven.

(4)

- 2 in zijn opstel duidelijk heeft aangetoond. Die poging- van Willem I om het vroegere grondgebied van den Staat in bezit te nemen was geheel in overeenstem- ming met de beginselen, die in 1814 tot uiting kwa- men. De verdragen, door de Fransche republieken het Fransche keizerrijk gesloten, waardoor hun grondge- bied was uitgebreid, de annexaties, door Frankrijk eigenmachtig gedecreteerd, werden in 1814 niet lan- ger erkend. De vorsten en de volken streefden er naar hun grondbezit van vóór 1792 te herstellen. „S. M . Ie Rol de Prusse", luidt de aanhef van art. 23 van de slotakte van het Weener congres, „étant rentré, par une suite de la dernière guerrè, en possession de plusieurs provinces et territoires ciuii avaient été cédés par la paix de Tilsit";

zoo was het inderdaad. Alsof er nooit een vrede van Tilsit gesloten was, had de koning van Pruisen weder bezit genomen van Oost-Friesland, dat hij ver- volgens aan den koning van Engeland en Hannover afstond, en alsof er nooit een groothertogdom Berg had bestaan en de afstand van het hertogdom Kleef van 1806 nooit had plaats gehad, trad hij weder in het bezit van de op Geldersch grondgebied gelegen Kleefsche enclaves Huisen, Malburg, Wehl enz. Juist zoo handelde de Souvereine vorst. Door den opstand in het bezit getreden van dat gedeelte van de oude republiek, dat in Juli 1810 was ingelijfd, haastte hij zich (15 December 1813) bezit te nemen van de lan- den, die bij het verdrag van Fontainebleau in 1807 CVlissingen en Lommei) en bij dat van 9 Maart 1810 (Zeeland, Brabant en een gedeelte van Gelderland) aan Frankrijk waren afgestaan. Natuurlijk trachtte hij ook de landen, bij den vrede van 1795 door Frank- rijk in bezit genomen, terug te krijgen. Bij Staats- Vlaanderen gelukte hem dit, bij Maastricht, Staats- Limburg en de landen van Overmaze mislukte het door de tegenwerking der groote mogendheden, met name van Pruisen. Trouwens het herstel van den ouden toestand in de Rijnstreken kon niemand wen- schen. De tallooze kleine potentaten op den linker Rijn- oever waren reeds krachtens den Reichsdeputations- hauptschluss van April 1803 voor het verlies hunner bezittingen schadeloos gesteld : aan een herstel der geestelijke vorstendommen, zooals Keulen, Luik en Thorn, dacht niemand ; er moest daar eene geheel nieuwe territoriale indeeling worden tot stand ge- bracht, waarbij Pruisen hoopte te profiteeren. Van- i daar de oprichting der gouvernement® généraux, die namens de verbonden groote mogendheden werden be- stuurd. Het is echter volkomen verklaarbaar, dat Wil- lem I de Nederlandsche rechten op de landen van Over- '.

maze, Staats-Opper-Gelder en Maastricht trachtte te :

»' handhaven. Niet krachtens de beschikking van het i Weener congres, maar uit hoofde van oude verkregen - rechten maakte hij er aanspraak op. R. F R U I N !

Overeenkomst tusschen Wilhem van Chievel en Frederik van Reymerstock betreffende

de heerlijkheid Oud-Valkenburg.

! 29 Juni 1461.

; Van belang voor de geschiedenis der heerlijkheid Oud-Valkenburg is de onuitgegeven oorkonde, waarvan het origineel in mijn bezit is en die ik hier letterlijk laat volgen. D. SASSEN.'

Wir Wilhem van Chievel der alde Duytsche ordens end Frederich van Reymerstock doen cont allen lude end bekennen met desen onssen brieve, dat wir sament- hken met bywesen onsser vrunde, die wir beyde by ons geruepen haven, met namen heren Dyerich van Havart en heren Heynrich van Oyshem, beyde Duyt- sche ordens, overcomen ende verdragen syn sonder- hngen vurwerden, die welge wir met gueden voer- dachtige raede ende synnen eyns worden syn ende gemaeckt haen: dat ich, Wilhem van Chievel vurss., als mich van doede Frederix huysvrouwen Geertruydé angevallen end erstorven sal syn met recht met naem die guede heerlicheit, banckrechten, renten, cynse koermeyde van Aldenvalkenborch met allen syn toe- behooren nyet daraff uytgescheiden, soo haen ich ge- loeft end geloeve voer mich end myne erve den vuers.

Frederich en syne erve alsulx guede in syne hand zo

stellen end zo vestige alle allsulke recht van heer-

licheit alser vursz. steyt, voer eyne somme geltz die

mich Frederich vurss. guetlik gele(v)en? end ghele-

vert heet, als met name onsser beyde vrunde heren

Dyerich ende heren Heynrich vurss. dat kundich is,

met namen vyffthien hondert rynssche gulde. Ende

darvoer sal ich Wilhem allen die vurss. guede in syne

hant alsdan stellen en te behalden met allen den rech-

ten als vursz. steyt. Ende deser staet off twiest van

mich Wilhem off Frederich vursz. en deser bedingen

vurwerden ende overkomen dat wir die altyt soeken

blyve aen onssen vursz. twe gekoren vrunde heren

Dyerich ende heren Heynrich vurss. beheltenisse de-

ser vurwerde en brieff in synre gansscher macht son-

der allen argelist en alle quade wille van deser behen-

dicheit herin, uytgescheide. End dje orkonde ende

vaster stedicheit der worheit hebben wir Wilhem en

Frederich beyde partien onsse segele aen desen brieff

gehange end hebben vort gebede die twe veystlike

(5)

3 eersaeme heren Dyerich en heren Heynrich dat sy

hen segele als dedingslude konden en worheit met heraen hangen wille. Dat w i r Dyerich en Heynrich vurss. ter beden beyder partien gerne gedaen hebben en hebben onsse segelen met by hen gehangen. Gegeve int jaer onss heren duysent vierhondert en eyne en tsestich op die gueden sint Peters ende sinte Pauwels daech der heilige apostelen.

Collecte voor de bevrijding van den missionaris Hechtermans 0. P. in 1670.

Bij akte, verleden voor Notaris Jac. a Cruce 1670 : M a a r t 4, bekenden de E e r w . P r . Stephanus Schaep, p r i o r en pater magister Henricus Hechtermans, Pre- dikheeren te Maastricht, eene som van 135 rijksdaal- ders ontvangen te hebben uit handen van Sr. Hendr.

Huismans, Lamb. Nootstox, Anthoon Gobbens, A r - nold Cappouns, Joannes Coymans en Joannes Jentis.

Deze som, door de genoemde personen, allen „ b o r g e r s en coopluyden" van Maastricht met toestemming van den raad gecollecteerd, moest dienen om „ d a e r m e d e te

„verlossen den P r . Henricus Hechtermans religieuse

„deses convents (Predikheeren te Maastricht) bij den

„ T u r c k tot Algiers gevangen". De voornoemde paters p r i o r en magister verplichtten zich om het geld terug te geven, indien pater Hechtermans niet binnen het j a a r werd bevrijd of indien hij overleden was.

Hoewel de gevangenschap van pater Hechtermans j r . bekend was, (o. a. uit de korte kroniek van het Pre-

dikheeren klooster door den E e r w . P r . G . A . Meijer O. P . i n t. 46 der Publications uitgegeven) meenden wij deze poging van de Maastrichtsche burgerij om hem te bevrijden niet onvermeld te moeten laten. Pater Hechtermans stierf te St. Stevensweert 10 J u l i 1702, w a a r hij sacellanus major van de bezetting des konings was. Of hij, zooals de voormelde kroniek zegt, ook pastoor aldaar geweest is, blijkt niet uit zijne over- lijdens akte. Bij de lijst van pastoors i n het overlijdens register van Stevensweert opgeteekend, komt hij niet als zoodanig voor, mogelijk is het echter dat hij tijdelijk het pastoorsambt heeft waargenomen.

Ter voorkoming van v e r w a r r i n g diene nog, dat de eerstgenoemde pater magister Henr. Hechtermans reeds 4 M e i 1679 als jubilarius stierf. Hij was drie- maal p r i o r van zijn klooster en een zeer geleerd man, die veel voor de orde der Predikheeren heeft gedaan.

Maastricht. Jos. V A N D E V E N N E .

Het remmelen of knuppelen der honden in de vrije Rijksheerlijkheid Stein.

Bij zijne werkzaamheden aan het Rijksarchief te Maastricht vond D r . A . A . Plevoets een verslag van een voogdgeding, dat 18 October 1729 te Stein was gehouden en waar het kluppelen van de honden der ingezetenen ter sprake was gekomen. H i j zond ons een afschrift van dat verslag om daarvan gebruik te ma- ken voor ons maandblad.

Het kluppelen of remmelen der honden staat i n ver- band met het heerlijk jachtrecht van vroegere dagen.

Om te voorkomen dat de losloopende honden schade toebrachten aan het wild, werd voorgeschreven, dat oedurende een bepaald gedeelte van het jaar den hon- den een stok = knuppel of remmel dwars onder den hals werd vastgebonden of dat zij een hangenden kluppel of een stokje aan een koord moesten naslee- pen. Op die wijze belette of bemoeielijkte men de hon- den het naloopen van het wild. Ook i n latere dagen, toen het heerlijk jachtrecht al verdwenen was, werd het kluppelen der honden bij gemeentelijke verorde- ning voorgeschreven om den wildstand voor de jagers niet te bederven. Ouden van dagen weten zich nog te herinneren, dat zulks geschiedde i n de gemeente Oud- Valkenburg.

Laten wij nu zien wat te Stein gebeurd was.

Den 4den October 1729 had de markies van Wester- loo, heer van Stein, de volgende ordonnantie uitge- vaardigd :

„Wij Joannes Philippus Eugenius des H . R. Grae- ve van ende tot Merode, Marquis van Westerloo,

vrij banderheere van Petershem ende Steyn . . . . etc.

Geïnformeert synde hoe datter eenige onser on- derdaenen binnen onse heerlicheeden van Petershem ende Steyri ongehoorsaem aen de gebotthen van on- sentweegen omtrent het knuppelen der honden al-

! daer gepubliceert, de stoutigheyt hebben sich der-

: ven praesumeeren van haere honden ongekluppelt te laten erschijnen, i n velden, bempden ende bos-

5 schen loopen tot totale r u ï n e onsere jacht; waer-

b omtrent wij willende absoluyt voorsien, beveelen

c ende ordonneeren hiermeede strictelyck, dat alle schepers- ende andere honden, soo ooyts i n velden,

e weyden ofte bosschen coemen oft kunnen koemen,

s sullen moeten wesen voorsien van eenen aen haeren hals hangende kluppel ter aerde sleypende ten tijde van twalff maende cp het jaer, op poene dat allen

l' hondt ongekluppelt bevonden wordende sal worden doot geschooten ende desselfs meester als contra-

(6)

4 venter deses gebots geamendeert met drij goltgul- dens bij prompte executie.

Ordonneeren aen onse officieren wel serieuse'yck om desen volgens die boodens haere fonctie te doen paratelyck observeeren, oft andersints deselve in cas van negligentie oft ooghluycking infame te cas- teeren (1).

Ende opdat niemant hieraff ignorantie en magh pretendeeren, soo beveelen, dat dese sal worden ge- publiceert ende vervolgens geprothocolleert, want sulx ons alsoo eens voor altijt belieft.

Datum Merode, den 4 Octobris 1729.

(was get.:) Le Marcq. de Westerloo."

Cachet in rooden zegelwas.

Deze ordonnantie werd eenige dagen later, op Zon- dag 16 October 1729, na de Hoogmis in het openbaar aan alle ingezetenen van Stein door den rentmeester Ecrevisse voorgelezen in tegenwoordigheid van den schepen Corst van Mulcken en den veldbode Willem Holsbour, welke laatste de „naebuyren" tot het aan- hooren daarvan in de kerk had vermaand.

Dat de afkondiging van zulk een harde ordonnantie den ingezetenen niet beviel is zeer begrijpelijk. Wij moeten ons dan ook niet verwonderen, dat zij op het voogdgeding, dat twee dagen later op 18 October ge- houden werd, daartegen protesteerden. Op dat voogd- geding waren na voorafgaande aankondiging alle „na- buren" of ingezetenen bij het luiden der klok verga- derd in tegenwoordigheid van hunnen drossard Kesse- ler en hunne schepenen d'Oidtman, Johan Hendrik Ecrevisse, Corstje van Mulcke, Jan op den Camp en Glaud Clermonts.

Nadat de lijst der „onderdanen" was afgelezen, vroeg de drossaard of iemand te klagen had „in 't particulier oft generael."

Daarop trad de burgemeester Peter Jeurissen naar voor en verzocht, dat de gemeente zou blijven in hare

„oude gerechtigheyt."

De drossaard vroeg den burgemeester, of hij op- dracht had van de gemeente om in haar naam te spre- ken. Deze antwoordde, dat de gemeentenaren allen aanwezig waren en dat hij sprak in hun naam.

Nadat den burgemeester gevraagd was, waarover hij dan „specialyck" klaagde en wat dan tegen hunne oude gerechtigheid zou gedaan zijn, zeide hij, dat men te Stein nooit gezien had, dat de honden gedurende twaalf maanden „gekluppelt" moesten zijn, en dat ze maar plachten „gekluppelt" te zijn van half Maart totdat het koren drie knoopen had.

(1) W i j begrijpen niet wat hier bedoeld is. M o g e l i j k is niet goed gelezen en staat er „in forme te casseeren", d . w . z . afzetten.

^ Nog verklaarde Joannes Peters, dat de honden te Stein niet een tot op den grond hangenden kluppel, maar altijd eenen dwarsknuppel of remmel hadden ge- dragen, en Thys Hoeghmans zeide eveneens, dat°de honden slechts „gekluppelt" waren geweest van half Maart totdat de derde knoop in het koren kwam, het- geen bevestigd werd door den schepen Glaud Cler- monts.

Alle vertoogen waren echter vruchteloos. Het ver- slag vermeldt dood eenvoudig verder, dat den veld- bode Willem Holsbour streng werd ingescherpt zijn plicht te doen en dat verzocht werd „dat het gemelde mandatum voigens ordre van Syne Excellentie sal wor- den geprothocolleert en als eene publycke weth in hoe- de gekeert." Daarop volgt dan de inschrijving of regis- treering der ordonnantie en der attestatie van hare af- kondiging op 16 October. Daarmee was de zaak afge- ioopen en moesten de inwoners van Stein het maar dulden, dat hunne trouwe viervoeters veroordeeld wa- ren het heele jaar door een „remmel" of „knuppel" na te sleepen.

Jan Jacob Cyrus.

Naar aanleiding van een bericht in dit tijdschrift jaarg. 1896 n

c

15 over Jan Jacob Cyrus, pastoor van de St. Maithiaskerk te Maastricht en kanunnik van St. Servaas aldaar, ontvingen wij van den Wel Edel.

Heer Jan Verzijl te Venlo, de volgende gegevens over zijne familie.

In de. Maasgouw 1896 N° 15 wordt melding ge- maakt van Jan Jacob Cyrus, pastoor der St. Eathari- nakerk te Maastricht. Hij werd aangesteld 21 Juni 1765 en overleed te Maastricht 10 Februari 1819.

In de militaire doopregisters te Venlo vond ik zijn doopakte, evenals die van Emmanuel Joseph Cyrus en Paulus Josephus Cyrus.

De ouders waren: Abrahamus Josephus Cyrus en Joanna Bluys.

1. Joannes Jacobus Cyrus. ged. 17 Juni 1739.

testes: Dominus Henricus Steffens lieutenantius in legione excellentissimi Domini Comitis van der Lippe.

Domicella Isabella Gertrudis Bluijs, cjus nomine Do- micella Anna Maria Culits.

2. Emmanuel Joseph Cyrus ged. 23 Februari 1741.

testes: Amplissimus Dominus Franciscus Gerardus.

Kuys, supremae curiae venlonensis consilarius et Do- min a Antonetta Paulina Durieux.

3. Paulus Josephus Cyrus. ged. 13 Maart 1743.

testes: Dominus Paulus Wauters, Domicella Maria

Anna Ruys.

(7)

5

A i-.- "[^„„„^^o^no t^r-vnc, trari "/ h P - l/o f l l ] 171. U K UU1I1 MC > Ï I C U O T / V « » ' J " ' i

Joannes Gaspar Cyrus X M a r i a B a r b a r a Boudijwin, middel pundt van de staenxie pompen - — waarvan Augustinus Franciscus Cyrus ged. 20 Fe- l H /2 duijm, ^ ^ . ^ ^ X d ^ ^ S h m a r i 1722 den kelder of blaesbalck is lanck 18 durjm, wiedt

testes: Johannes Franciscus Peters van de Grave, duijm, de tusse buijsen lanck 4yó duijm. alwaer het consul, ac scabinus etc. ac Aleijdis Mudders. staende slodt m is.

4. Noch sal den aennemer de pompe suijgen aan

„ , . , . . _ _Q ijder kant met dobbel best solder en, daar Eene brandspuit VOOr BleriCk in H f » . o p Qnder en boven m et k ur c k gevoerdt en onder en

• boven met een. dicke suffisante coper plaadt voorsien Medegedeeld door P. Doppler. ^ ^ de met e e n c o pe r roode bandt voorsien wor- De raad der gemeente Blerick was niet alleen be- d e n -

zorgd voor den welstand zijner ingezetenen, maar g Den a e n ne m e r zal den zwingel lang maken i wijdde ook zijne aandacht op al wat hen i n hun tijde- y o e d t > d i c k 1 d u i j m > breed i n . . . 2 dun m en alsdan liike zaken kon schaden. D i t was onder meer het geval, t o t Q p de e e n d e _ . ,ken tot 1<4 duijm breed, noch syn wanneer de veldvruchten door hagelslag grootendeels d e yan een 1 8 duijm op den kandt de ougen . . . vernield werden, als wanneer hun dan eene billijke wjedt 2 d u ijm.

vergoeding werd gegeven. Bij brand, die nog a veel-

vuldig schijnt voorgekomen te zijn, was het zaak deze 6. De aannemer sal de t w e e f o u t e r

zoo spoedig mogelijk te blusschen of zijn vernielenden pompen voor m den « ^ . ^ ^ ^ ^ ^ voortgang te stuiten. Ten einde dat te kunnen berei- e s s e h o u d t > ianck 4 voedt, dick 1% duijm met een D O I S

ken had het o-emeentebestuur i n 1779 eene brandspuit aan en e e n staalen veer aan.

Gebreken die bij het gebruik tijdens brand mochten a e nn e m e r sal de coper tromp lanck maken

ontstaan kwamen voor rekening der gemeente, u e . mondstuck.

borg dien Janssen moest stellen, was Jacobus Syben. 4 voed met een scnioe

h*t maaken en 9- Noch sal den aannemer maken 8 yser bouten Besteelt en conditie ^ ^ ^ ^ f ^ met schroeven aan ijder, lanck 24 duijm, dick % dunm

van m y n Heer Scholtis en schepens, soo als ^ ^ a a n n em e r sal maken de 2 achterraders dese artykels volgen. h " 2 0 d u i i m > d e voordste raeders hoog 14 duijm, , ö „• j - i; O I A rlm'im breed 2 duijm met een

1. Den aannemer sal maeken de o n d e r p l a n k al de ve linge dick 2 , ^ m , ^ ^ ^ ^ waer den coperen ketel op staat lanck 4 ^ d t en breedt g ^ o t e v s e r bussen, den naaf dick 5 duijm,

2 voedt en dick 2 % duijm, den koperen ketel W i r ^ * y ^ a g i s d i c k 2 duijm, lanck 3 voed kooper lanck 3 voet, breedt 22; d uf lm , hoog^20 dunm 7 £ t e maecken en aan het voorste en voorsien met een stercke oft dicke ysei diaaat ^ ^ gemaackt dat de voor raders draaijen.

ven om den randt van den ketel.

n , v * lonPk alwaar H . Den aannemer sal de spuijt verwen roodt en 2. Den aannemer sal de bovenste planck, a w a a r het vser w e rc k swardt en alles op Ry(n)landse maad het yserwerck op wordt gesteldt lanck maken 4 voedt den voedt gerekent 12 duijm.

breed 14 duijm i n de midden, dick l'/o aurjm en ue 0 • . ,

olanck onder in den ketel alwaar de pompe stucken 1 2 Den a a n ne m e r sal de compleete spuijdt m a e £ . n op komen te staan, is lanck 3 voedt, breedt 12 dunm, binnen den tydt van *i e r maanden en sal O O C K £ suue- dick li/2 duijm. s a n t é borg moeten stellen die sig den eenen voor dei

3. Noch sal den aannemer moeten maken van de anderen verbindt.

^ « t0i / « o r o f hlaesbalck is lanck 18 duijm, wiedt 9'

(8)

6 —

Burgemeesters van Maastricht in de 14e eeuw.

Ter aanvulling van de Chronologische lijst der bur-

gemeesters van Maastricht, door wijlen den heer stads-

archivaris, H . P. H . Eversen, in dit maandblad jaar- gang 1884—1885 fol. 1027 en volg. uitgegeven, geven wij hier de namen van een viertal die ouder zijn, dan de vermelde in de lijst, die met 1367 begint. Wij vonden ze in het oudste burgerboek, waarin zijn op- geteekend de namen der nieuwe burgers, die tot de souvereiniteit van den hertog van Brabant toetraden in de jaren 1314—1379, en prescriptiones van het Brabantsch hooggerecht. Zij komen aldaar niet voor met de gewone benaming van burgi-magistri, maar met dien van Magistri communitatis.

P. D.

1336 October 1. Florentinus Overstont, magister com- munitatis (fol. 10 van voornoemd register).

1337 October 28. Wiricus de Grays, magister commu- nitatis (ibidem).

1345 December. Johannes Lupus junior, magister communitatis (ibidem fol. 11 verso en fol. 14 recto).

1342 December. Arnoldus Nuest junior, (ibidem fol.

20. r.)

B E R I C H T E N . V

BLERTCK. In het begin van dit jaar meldden de dagbladen, dat men bij het maken van rioleeringen op drie urnen was gestooten. Eene met beenderen gevuld werd verbrijzeld en de twee andere werden naar het Raadhuis overgebracht. Wij kunnen tot ons genoegen daarbij voegen, dat de vondst in bruikleen aan ons Museum zal afgestaan worden en zoodoende voor de wetenschap en de plaatselijke geschiedenis bewaard blijven. Hopelijk komen wij later op die vondst terug.

W. G.

B O E K E N N I E U W S .

Zeitschrift des Aachener Geschichtsvereins. Deel 42

(1920). Aachen 1921.

Deze jaargang van het bekende tijdschrift van den

„Aachener Geschichtsverein" bevat enkele zaken, die voor de Limburgsche geschiedenis niet van belang ont- bloot zijn. Vooreerst treffen wij er blz. 1-89 het slot aan van het opstel van Fritz Grasz: „Der Aachener Schöffenstuhl", waarop wij reeds in het November- nummer van 1920 de aandacht vestigden. Dan blz.

233-294 een flink gedocumenteerd opstel van Albert

Huijskens: „Die Aachener Kirchengründungen Kaiser Heinrichs II in ihrer rechtsgeschichtlichen und kir- chenrechtlichen Bedeutung." Het St. Adalbertstift en het klooster van Sint Nicolaas te Burtscheid, die daar- in behandeld worden, hadden vele goederen in Lim- burg. Verder dienen onder de „Kleinere Beitrage"

nog vermeld te worden blz. 295-314: „Zur Erklarung und Geschichte des Namens Lousberg," met een aan- hangsel: „Der Wolf in der Münster- und der Lous- bergsage," en blz. 314-317: „Weiterer Nachtrag zu Arnoldus Parvus, Stammvater des Geschlechts von Palant." Leden van het geslacht van Palant, dat thans nog in ons land bloeit, hebben vroeger in Zuid-Lim- burg tal van bezittingen gehad en gewichtige ambten bekleed.

Eindelijk moeten wij nog de aandacht vestigen op een werk, dat onder de „Literatur" blz. 328-330 door A. Fritz besproken wordt: „Kaspar Dörr. Die Kreu- zensteiner Dramenbruchstücke, Untersuchungen über Sprache, Heimat und Text (Germanistische Abhand- lungen, begründet von Friedrich Vogt, 50. Heft)."

Breslau, Verlag von M . und H . Marcus 1919, VI en 136 blz. Dit werk bevat namelijk eene studie over de brokstukken van een Middeleeuwsch drama, die in 1906 op het slot Kreuzenstein in Beneden-Oostenrijk ontdekt werden. De schrijver is van meening, dat dit drama nauw verwant is met het 14de eeuwsch Maas- trichtsche Paaschspel en dat het in de buurt van Aken, zoo niet te Aken zelf. ontstaan is. Het Maastrichtsche mysteriespel werd uitgegeven door Julius Zacher in Haupts Zeitschrift für Deutsches Altertum, II, blz.

302 en volg. H . P. H . Eversen schreef daarover in de Publications, deel VIII (1871) blz. 307-310.

W. G.

Limburg's Jaarboek Deel X X V I I (1921), 3de en

4de afl.

Hierin komen voor: blz. 78-81, J. N . Snackers, Iso- glossen of dialectlij nen door het Limburgsch taalge- bied; blz. 82-92, A . F. van Beurden, Limburg's Oost- grens, Economische vraagstukken ; blz. 106-114, Jan Verzijl, Familie Van Blitterswijck; blz. 122-138, B i - bliographia Ruraemundana; verder nog enkele klei- nere stukken.

De Maastrichtsche Almanak voor het jaar Onzes Heer en 1922. Maastricht, bij Boosten & Stols. 70 blz.

Deze almanak draagt geheel en al een Maastrichtsch

karakter. Zijn verschijnen dient ten zeerste toegejuicht

te worden als een ernstige poging om de oude Maas-

trichtsche almanakken te doen herleven. Na tal van

wetenswaardigheden, die voor de Maastrichtenaars

van belang zijn, besluit het handig boekje met de korte

(9)

• 7 levensschetsen van „ E n k e l e beroemde Maastrichtena- i r e n " n.1. A e r t van Tricht, D r . Nicolaas Creusen, A n d r é ] Séverin, Franciscus Romanus, Pierre Dolmans, Jean ; Baptiste Coclers, Prof. W . A . Bachienne, D r . Philippe ] F e r m i n , Prof. J a n Pieter Minckelers, J . M . van H e y -

ierhoff en Mathias Kessels. i

V R A G E N B TT S.

V r a a g 21. In het oudste doopregister van Kerkrade, dat uit de 1ste helft der 17de eeuw dagteekent, doch tegen het einde der 18de eeuw door den pastoor werd overgeschreven, treft men het woord goet aan voor matrina, de meter bij het doopsel. M e n vraagt wat dat woord eigenlijk beteekent.

Antwoord. Het is niet onmogelijk, dat goet verwant is met het Middelnederlandsch woord gade, dat vol- gens het M n l . Woordenboek van Verwijs, Amsterdam, D l . II (1889), kol. 891, zorg, aandacht, beteekent. Het zou dus eigenlijk willen zeggen: hij die zorg voor iemand draagt, belang in iemand stelt, evenals het woord gadele (gayele, gayell), dat i n het Middenne- derlandsch i n de beteekenis van meter wordt aange- troffen. Eigenaardig is, dat tegenwoordig te K e r k - rade en in het naburige Eygelshoven peter en meter genoemd worden paat en joar. Daar de g i n het K e r k - raadsch dialekt meestal als j wordt uitgesproken en de l gemakkelijk i n eene r overgaat, kan het woord joar allicht uit goal ontstaan zijn.

Mochten de lezers iets meer weten van het voorko- men der woorden goet, joar, goal of iets dergelijks voor meter, en de eigenlijke beteekenis daarvan, dan houdt zich de Redactie voor mededeelingen aanbe- volen.

V r a a g 22. Voor eene kunst-studie wordt in bruik- leen gevraagd literatuur (geschiedenis, aardrijkskun- de, folklore, gebruiken, zeden, gewoonten, afbeeldin- gen enz.) over:

1) de Noormannen, die i n 882 de Maas opvoeren tot Elsloo,

2) de bewoners der landschappen, welke momen- teel Z u i d - L i m b u r g , de Kempen, de E i f e l en het L u i k e r - land vormen, omstreeks het jaar 882. (bijv. van 800—

1000).

Gaarne wordt ook mededeeling verwacht van plaat- sen of personen, waar bovenstaande zou kunnen ge- vonden worden. De kleinste bijzonderheden of aandui- dingen zijn zeer welkom.

nen und das Frankische Reich bis zur G r ü n d u n g der Normandie (799—911). Heidelberg, C a r l Winter, 1906. D i t werk is i n de Stedelijke Bibliotheek van Maastricht aanwezig.

De Redactie zal gaarne eventueele mededeelingen aan den steller van de vraag doen toekomen.

A A N W I N S T E N VOOR D E B I B L I O T H E E K . In ruil voor de uitgaven van het Genootschap : Verslag van het verhandelde in de Algemeene Ver- gadering van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen gehouden den 7J e nJ u m 1921.

Utrecht 1921.

Aanteekeningen van het verhandelde in de Sectie- vergaderingen van het Prov. Utr. Gen. v. Kunsten en Wetenschappen ter gelegenheid van de Algemeene Ver- gadering gehouden den 6d e n Juni 1921. Utrecht 1921.

Maandblad van het Genealogisch-heraldisch Genoot- schap : „De Nederlandsche Leeuw". Jaarg. 39 (1921), n" 10. 11. 12.

Taxandria. Tijdschrift voor No^T^rabaritsclie Ge- schiedenis en Volkskunde. Jaarg. XXVIII (1921), afl. 8.

Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en Levensberichten harer afge- storven medeleden 1920—1921.

Oudheidkundig Jaarboek. 3e serie van het Bulletin van den Nederl. Oudheidkundigen Bond. J r g . I (1921),

• afl. 4.,

Mitteilungen des Vereins für K u n s t und A l t e r t u m

• in U l m und Oberschwaben. Heft 22. Das Deutschor-

• denshaus U l m i m Wandel der Jahrhunderte. V o n Prof.

" D r . Hans Greiner. U l m 1922.

i

Door schenking^

S Muller Fz. en A. C. Boaman. Oorkonden van het

" Sticht Utrecht tot 1301. Deel I, afl. 2 (1000-1130).

Utrecht 1921.

Van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Weten- schappen :

' Verslagen omtrent 's Rijks verzamelingen van ge- schiedenis en kunst 1920. Deei XLI1I, 's Gravenhage 1921.

Antwoord. Voor het aangegeven doel is veel te vinden i n het werk van Watther voget, ui*

(10)

8 A A N W I N S T E N V O O R H E T M U S E U M . Van den Maastrichtschen aannemer G . A. Knols ontving het Museum twee fraai gebeeldhouwde 18d c 1 1 eeuwsche trapbalusters uit een huis in de Capucynenstraat, eene partij oude haardsteentjes en een aantal oude verglaasde vloertegeltjes. Deze schenking van den heer Knols wordt ten zeerste op prijs gesteld en zijn voorbeeld verdient door de overige Maastrichtsche aannemers nagevolgd te worden. Zij zijn immers zoo dikwijls in de gele- genheid bij afbraak en verbouwingen mooie specimens van de vroegere Maastrichtsche kunst en kunstnijver- heid te redden en door opberging in het Museum voor het nageslacht te bewaren. Zelfs bouwkundige onderdeden, zooals muur- en vloertegeltjes, die oogen- schijnlijk niet de minste kunstwaarde bezitten, worden zeer gaarne in het Museum opgeborgen. Zij vormen doorgaans een waardevol studiemateriaal en komen vaak uitstekend van pas bij de restauratie van oude gebouwen, zooals onlangs bij de herstellingen van het voormalig klooster der Grauwzusters en van de Kruisheerenkerk te Maastricht.

Voor de muntverzameling van het Genootschap bestaat er gelukkig nog al belangstelling. Van den heer H. F.

Schwiebert te Maastricht ontvingen wij een aantal Luiker duiten en andere koperen munten en de architekt W . Sprenger bezorgde ons een aantal munten, die bij zijne werkzaamheden op diverse plaatsen te Maastricht waren gevonden. Ook vergeet ons de directie der gemeente- werken niet bij de grondwerken, die zij laat uitvoeren, en zelfs denkt de jeugd aan ons en zoekt voor het Museum waar de oude vestingwerken worden afgegraven.

Zoo ontvingen wij o.a. van Willy Boersma een duit van Maastricht uit 1611 en van Franssen eene bronzen Romeinsche munt, die vrij goed bewaard was, doch waar- van de vindplaats niet meer kon opgegeven worden.

U i t de nalatenschap van wijlen J h r . M r . A . L . E . de Stuers, die als Nederlandsch gezant te Parijs over- leed, werden aan de stad Maastricht geschonken twee oude vaandels, die uit de 18de eeuw dagteekenen en gebruikt zijn bij het plechtig inhalen van een „ P r i m u s van Leuven" te Maastricht, en een fraai burgemees- terszwaard. D i t draagt als opschrift op beide zijden:

R : W : D : P I L L E R A IS : T O T B O R G E M E S T E R G E K O O S E N : D E N

22-L 8 B R I S : 1754

Daarboven bevindt zich de engel met het stadswa- pen van Maastricht.

Deze voorwerpen die voor de Maastrichtsche ge- schiedenis hunne beteekenis hebben, zijn door het stadsbestuur i n dank aanvaard en bij hare verzame- lingen i n ons Museum gevoegd.

V a n wege de directie van Gemeentewerken te Maas-

tricht werd naar het Museum overgeoracht eene zware ijzeren kogel, die gevonden was bij het graafwerk buiten de voormalige Tongersche Poort.

De merkwaardige overblijfselen van een oude „theo- theca" of „ S a c r a m e n t h a u s c h e n " , die bij de restaura- tiewerken in de Kruisheerenkerk te Maastricht ont- dekt waren en vermoedelijk uit 1561 dagteekenen (zie Publications, dl. 39 (1903), blz. 134-135), zijn onlangs in het Museum gedeponeerd.

De kerkelijke voorwerpen uit Visé, die door wijlen pastoor M a r t i n Rutten en den heer V i c t o r Schols i n Augustus 1914 naar ons Museum i n veiligheid waren gebracht, zijn thans alle teruggehaald. De heer deken F . Gof'fin van Visé zond aan den conservator 8 De- cember j.1. een schrijven van dank. W i j laten het hier grootendeels volgen, omdat het op welsprekende wijze uiting geeft aan eene diepgevoelde erkentelijkheid, niet alleen voor de redding der kunstschatten van Visé, maar ook voor de offervaardige hulp, welke Maas- tricht en L i m b u r g aan de ongelukkige bewoners van Visé in 1914 hadden betoond.

De deken verzoekt „de renouveler 1'hommage de ses remerciments bien sincères et bien respectueux a 1'As- semblée de Société d ' A r t et d'Histoire et dire a M o n - sieur le P r é s i d e n t et a Messieurs les Membres du Comité que la V i l l e de Visé se rappelle avec émotion des services é m i n e n t s rendus a la Cité Mosane-Soeur, par sa grande Soeur Limbourgeoise. A la p r e m i è r e visite que nos frères Limbcj|rgeois, les hommes d'Eys- den, sont venus rendre au Sanctuaire de Lorette, je me suis fait un honneur et un devoir, dans mon dis- cours de bienvenue, prononcé sur le plateau de Lorette, de me faire 1'interprête officiel de l a gratitude des Visétois envers cette population m é r i t a n t e de la fron- tière hollandaise qui a ouvert, si largement ses bras, son coeur et sa bourse, pour g u é r i r nos blessures, nous sauver de la d é t r e s s e et apaiser notre faim.

Je leur rappelais avec fierté que pendant la guerre.

et maintenant encore, chaque vendredi, au Chemin de le Croix pour les Victimes de la Guerre dans notre humble chapelle provisoire de Visé, nous prions pour

„ces g é n é r e u x Bienfaiteurs, qui, pendant l a guerre, ont compris notre détresse, accueilli nos femmes et nos enf'ants, séché nos larmes et apaisé notre f a i m ! "

A u début de cette a n n é e 1921 je rappelais a mes pa- roissiens ce grand devoir de la gratitude envers nos f r è r e s Hollandais et je suis heureux de le faire, en cette froide j o u r n é e de Décembre, de toute 1'ardeur de mon coeur reconnaissant en priant la Vierge Im- maculée d'obtenir de son D i v i n F i l s , pour vous, Mes- sieurs, et vos vénérées families la récompense promise a ceux qui font le bien en Son N o m ! . . . "

Figure

Updating...

References

Related subjects :